Nieuwe genealogisch-historische website

Gisteren werd ons door Kenneth Booten het bestaan van een nieuwe website gemeld waarop hij genealogische en historische databanken ter beschikking stelt. Kenneth kennen we trouwens van een onderzoek dat hij aan het doen is naar de bibliotheek van Balthazar van Muysen (18e eeuw) die op de hoek van de Plein met de Putstraat woonde (het ingestorte kloosterpand).

Op zijn website stelt hij verschillende databanken ter beschikking, voornamelijk betreffende de omgeving rond Tongeren. Voor Tongeren zelf heeft hij bijvoorbeeld enkele strafregisters van de gevangenis bewerkt (periode 1868-1920).

Tegen de zomer plant hij nog een overzicht te maken van gevangenen die tijdens de Eerste Wereldoorlog op bevel van de Duitse bezetter te Tongeren werden opgesloten. En verder kijken we ook nog uit naar het patentenregister uit de Franse Tijd dat een interessante bron vormt voor de overgang van de ambachten na de Franse Revolutie.

De Riddersstraat

Vooreerst willen we alle lezers de beste wensen voor het nieuwe jaar doen! Deze blog gaat al zijn zesde jaar in en dit jaar hopen we onze 250e blogpost te vieren.

Vandaag een stukje over de Riddersstraat, geschreven met twee s’en, want af en toe wordt de naam wel eens verkeerd geschreven. De straat verwijst bijgevolg niet naar één ridder maar naar meerdere.

Naar aanleiding van het plaatsen van een nieuw straatnaambordje werd gevraagd naar de oorsprong van de naam. We nemen dan meestal het boek ‘Tongeren en zijn straten door de eeuwen heen’ van Dany Baillien ter hand. Die vertelt over de Riddersstraat (hij schrijft het trouwens met slechts één s) dat de naam verwijst naar de ridders van Tongeren welk riddergeslacht vanaf de twaalfde tot en met de veertiende eeuw leefde. Begin vijftiende eeuw nam de stad op haar zegels het wapen van die ridderfamilie over en dit is nog steeds het stadswapen (de blauwe vairblokjes op een zilveren of witte achtergrond met een verhoogde dwarsbalk van goud of geel). Dany Baillien vermeldt eveneens dat de straatnaam voor de eerste keer vermeld werd in de achttiende eeuw.

Vanaf hier startte onze zoektocht want Dany Baillien vermeldde ook dat hij vermoedde dat de naam naar de ridders van Tongeren verwees, maar er niet geheel zeker van was. In eerste instantie dachten we dat de straat vernoemd was naar de familie de Schaetzen die in deze straat een woning had en eind negentiende eeuw de riddertitel kreeg. Maar chronologisch kan het dan natuurlijk niet dat de straatnaam al een eeuw eerder bestond. Midden negentiende eeuw waren enkele huizen eigendom van ridder Jan Filips de Saren, zoon van ridder Willem Pieter de Saren en in 1822 gehuwd met Marie Josephine Rubens. Maar dit kan chronologisch ook niet. Wel een mogelijkheid was dat de straatnaam verwees naar ridder Peter Godfried de Leonaerdts die in de tweede helft van de achttiende eeuw een huis bewoonde in de Riddersstraat. Hij was gehuwd met barones Anna Elisabeth de Hubens van wiens hij een huis met brouwerij in deze straat erfde. Nog verder zoekend vonden we in de registers van de schepenbank een verwijzing uit 1604 naar deze Riddersstraat waardoor de naam ook niet naar ridder de Leonaerdts kon verwijzen.

Nog ouder wordt het moeilijk want de alleroudste vermeldingen van deze naam vinden we al terug in de vijftiende en zestiende eeuw maar dan verwijzend naar de Koolkuil! Die werd het Riddersstraatje genoemd naar de ridders van Pietersheim die op de hoek met de Wijngaardstraat een grote stadswoning hadden. De huidige Riddersstraat werd in diezelfde periode Piepelpoel genoemd (bijgevolg in het verlengde van de huidige straat) of aan de Commerput (die op de hoek met het gasthuis lag – de Predikherenstraat bestond toen nog niet want dat klooster kwam er pas in de zeventiende eeuw).

Een ingewikkeld verhaal net zoals enkele andere straatnamen in het stadscentrum moeilijk te verklaren zijn (we denken dan aan de Hondsstraat, Koolkuil, Bulkerstraat, …). Voorlopig geven we dus Dany Baillien het voordeel van de twijfel en zijn het met hem eens dat onze huidige Riddersstraat verwijst naar het middeleeuwse riddergeslacht.

800 jaar geleden

Bij Kerstmis horen sterren en kometen, hetgeen ons naadloos brengt tot het feit dat deze week Jupiter en Saturnus nagenoeg als één planeet aan de hemel te zien waren. Dit fenomeen was een laatste keer te zien op 4 maart 1226 (voor de wetenschappelijke uitleg verwijs ik graag naar dit artikel). Bijna 800 jaar geleden, zag de wereld – en ook Tongeren – er helemaal anders uit.

Een tiental jaren voordien, in 1213, had Tongeren net een verwoestende belegering achter de rug. Nadat de graaf van Loon in 1179 de stad grondig had vernield, lukte het echter in 1213 wel om de troepen van de hertog van Brabant buiten te houden. Althans, de Tongenaren vluchtten in de versterkte OLV-kerk, waar ze de Brabanders op een afstand konden houden (een heel aantal burgers was ondertussen naar de burcht van Kolmont gevlucht). Het leek, aldus de hertog van Brabant, alsof de duivel ermee gemoeid was, zo weerden de Tongenaren zich. Heel wat burgers konden weliswaar hun vel redden, maar de stad en de omgeving werden grondig geplunderd en verwoest. Mede hierdoor moet er een soort van overleg hebben plaatsgevonden tussen de bisschop (als grondheer), het kapittel van OLV en de burgers Tongeren hoe ze de heropbouw zouden gaan aanpakken. Er werd onder andere beslist om een stadsmuur te bouwen (degene die we nu kennen als de middeleeuwse muur), er zou een nieuwe OLV-kerk gebouwd worden en de burgers kregen verregaande (stads)rechten. En dat laatste is wel belangrijk want de gebeurtenissen in die periode lijken een proces, dat al langer bezig was, te hebben versneld. Vanaf de twaalfde eeuw hadden de burgers al bepaalde rechten gekregen (o.a. omtrent tolheffing) en kreeg ook de stadsvrijheid vorm. Die stadsvrijheid omvatte enkele dorpen die aan Tongeren werden toegevoegd en waardoor één van de meest noordelijke steunpunten van het prinsbisdom zich financieel beter kon ontwikkelen (die dorpen zorgden voor inkomsten hetgeen goed was voor de economie, economie trekt meer mensen en handel aan, die inkomsten konden gebruikt worden voor onder andere militaire doeleinden, enzovoort).

Toch bevond Tongeren zich op dat moment nog volledig binnen een middeleeuwse samenleving. Er waren nog altijd lijfeigenen, ridders hadden grote stadswoningen (de kastelen die als lustpaleizen gebouwd zouden worden, verschenen nog lang niet ten tonele), de ambachten stonden in hun kinderschoenen en de stedelijke rechtspraak was in volle ontwikkeling. Desondanks bestonden toen ook al heel wat instellingen die we vandaag de dag nog kennen. De OLV-kerk stond er al (hoewel er een grote en ingrijpende verbouwing op het punt stond te beginnen), de Sint-Janskerk, maar ook het begijnhof (dat nog naar zijn huidige locatie moest verhuizen) en het Sint-Jakobusgasthuis (de voorloper van het hospitaal). Dat gasthuis werd in de negentiende eeuw samen met o.a. het armbestuur en de Doorvaart (een instelling die passanten voorzag van een beker wijn en een stuk brood) gebundeld tot de Godshuizencommissie (die samen met het Armbestuur in de twintigste eeuw de Openbare Onderstand zou worden).

Zijn er tenslotte in Tongeren nog fysiek sporen aanwezig uit het begin van de dertiende eeuw? Ja, er zijn nog archiefstukken zoals oorkonden en muziekfragmenten. Bouwwerken zijn er echter niet meer tenzij de restanten van de verdedigingsmuur rond de OLV-kerk, stukken van de kloostergang, een klein stukje van de toren van de Sint-Janskerk en hier en daar een huiskelder die nog dateert uit de volle middeleeuwen.

Maar waar mijn verhaal over de planeten/sterren/kometen toe moest leiden: een vrolijk Kerstmis allemaal en alvast allerbeste wensen voor 2021!

Een passie voor planten en bloemen

Deze week ontvingen we een heel bijzonder register van de zoon van Jean Vandebeek. Die was meer dan veertig jaar (jaren 1930-70) stadshovenier en ook de ontwerper van de stadsreuzen Rukes en Beth.

In dit register beschrijft hij het planten en verzorgen van allerlei bloemen, bomen, groenten, enzovoort. Het register dateert uit 1930 en is zeer gedetailleerd opgevat met de nodige tekeningen en uitleg. Dat hij echt gepassioneerd was door zijn job, blijkt uit een gedicht dat hij schreef. We citeren de eerste regels: ‘Aan mijne vrienden de bloemen… Ik bemin de bloemen allemaal, hoe graag zie ik ze na. Wanneer ik van alle kommer vrij dan bonst mijn hart van vreugd omhoog. In ’t midden van Gods rijk en de bloempjes groet ik blij als vrienden al gelijk’.

Onderstaand zijn tekening met tips voor het snoeien van fruitbomen en hoe ziekten te behandelen bij brocolli.

Een vondst uit het oude stadhuis

Momenteel worden de voorbereidingen getroffen voor de restauratie van de buitenzijde van het stadhuis. Na de eerste fase, waarbij het dak werd hersteld, wordt in deze tweede fase het schrijnwerk, de deuren en ramen, etc. gerestaureerd. De laatste fase, de herinrichting, volgt dan over enkele jaren.

Enkele jaren geleden werd het merendeel van de kunstvoorwerpen dan ook al ingepakt en naar het depot overgebracht. Hetgeen op dat moment niet kon verhuisd worden (stoelen, tafels, kasten, verlichting,…) werd ingepakt. Een laatste rondgang leverde echter nog een mooie vondst op, namelijk deze filmprojector van het merk ‘Bell and Howell’ uit 1949.

Deze firma, opgericht in de Verenigde Staten in 1907, maakte als sinds de jaren 1920 draagbare projectoren en bleef dit doen tot begin deze eeuw. De firma bestaat echter nog steeds.

Op het spoor van Jezuïeten in ‘s-Herenelderen

De toevalsvondsten die we in het archief doen, zijn meestal de leukste. Afgelopen week vond onze vrijwilliger Albert Knapen twee doodsberichten toen hij een bevolkingsregister van de gemeente ‘s-Herenelderen aan het digitaliseren was. Het eerste doodsbericht was van Félix Rivier die als Jezuïet op het kasteel van ‘s-Herenelderen verbleef. Dat kasteel werd in die periode door de familie de Renesse verhuurd aan de Jezuïeten. Zij verbleven op het kasteel sinds 1901 waar ze een noviciaat (dus voor Jezuïeten in opleiding) stichtten. De kapel van het kasteel werd hun ‘kerk’.

Félix Rivier (1833-1914) was afkomstig uit de Loirestreek en kwam als leerkracht in ‘s-Herenelderen terecht waar hij ook overleed en begraven werd (zijn graf bevindt zich nog op het kerkhof).

Doodsprentje vader Félix Rivier (1833-1914)

Het andere doodsbericht is dat van Paul Furquim d’Almeida (1899-1918) die uit Elsene afkomstig was en als Jezuïet in opleiding in ‘s-Herenelderen verbleef. Hij was eerst in Alken in opleiding geweest en verbleef nog maar net in ‘s-Herenelderen.

Doodsbericht uit 1918 en Duits ‘Personal-Ausweis’ uit 1917 waarmee Almeida zich mocht verplaatsen in bezet gebied.

Korte tijd na afloop van de Eerste Wereldoorlog werd het noviciaat in ‘s-Herenelderen opgeheven en keerde ook de familie de Renesse terug. Op het kerkhof van ‘s-Herenelderen bevindt zich nog steeds een apart kerkhofje waar een tiental Jezuïeten begraven ligt. Wie hier meer over wil weten kan het artikel van Wilfried Raskin lezen dat vorig jaar werd gepubliceerd in de Tongerse Annalen.

Een ‘sardonisch’ kleipijpje van de Vlasmarkt-opgraving

Opgravingen in Tongeren leveren in de meeste gevallen een hele collectie aan diverse objecten uit verschillende perioden op. Als na de opgraving een voorwerp al eens wat meer aandacht krijgt, dan dateert het vaak uit de Romeinse tijd. En dat is op zich niet verwonderlijk, Tongeren is nu eenmaal de enige Romeinse stad in ons land.
Ditmaal willen wij echter de aandacht vestigen op een object uit een veel jonger verleden. Tijdens de opgraving van Aron bvba aan de Vlasmarkt in 2018-2019 werden ook een aantal beer – en waterputten uit het recentere verleden van de stad opgegraven. De vondsten uit de vulling van één van de beerputten werd door de archeologen gedateerd tussen 1825 en 1925. Eén soort vondsten die uit de put werden ingezameld zijn fragmenten van kleipijpjes in witte zgn. ‘pijpaarde of -klei’. Vaak wordt in rapporten aan dergelijke pijpjes snel voorbijgegaan. In het Aron-eindverslag van deze opgraving (De Winter en Reygel, in voorbereiding) komen zij wel aan bod en één exemplaar is te mooi om niet even apart onder de aandacht te brengen.

Pijpjes uit de Vlasmarkt-beerput werden geproduceerd in de fabriek van Jean-Baptist Nihoul te Nimy bij Bergen. Het opschrift NIHOUL/…/NIMY, de gekroonde letter N tussen 6 bolletjes of de letter N in een wapenschild op sommige pijpjes laten hierover geen twijfel bestaan.

Het pijpje hoort thuis bij de zgn. figurale pijpen, waarbij de kop van de pijp is uitgewerkt als een klein sculptuurtje. Deze modetrend zet vanaf 1820 in Frankrijk aan en kent vanaf het midden van deze eeuw ook in Belgische pijpenbedrijven een bloei. De pijpenkop van de Vlasmarkt is mooi uitgewerkt als een mannenhoofd met een geprononceerde frons, grote open ogen, grijnzende mond en rechtopstaande puntige oren. De keel van de figuur is versierd met kleine knobbeltjes. Een vergelijkbaar exemplaar hebben wij niet onmiddellijk teruggevonden. Wie er wel eentje kent, mag altijd contact opnemen met het stadsarchief.

(met dank aan Dirk Pauwels voor de bijdrage)

De tong afgesneden

Bij het digitaliseren van een uitgavenregister van de zogenaamde Doorvaart werd anno 1772 een bijzondere passage gevonden. Het betreft een gift van twaalf gulden aan een graaf wiens tong was afgesneden door de Turken en die bedelend rondtrok om zijn familie, die nog gevangen zat, te kunnen bevrijden. Vermoedelijk waren zij slachtoffers van de Russisch-Turkse Oorlog (1768-1774) die omtrent de Balkan (aan de Middellandse Zee) en de Kaukasus woedde.

De Doorvaart was een middeleeuwse instelling die bleef bestaan tot 1796 en die ‘eerlijke passanten’ een aalmoes, brood en wijn gaf. Die ‘passanten’ waren in eerste instanties pelgrims. Later kregen ook bedelaars, te vondeling gelegde kinderen, mindervaliden op doorreis, zieken, etc. een kleine toelage zolang ze niet van Tongeren zelf afkomstig waren (voor hen sprong de Armentafel bij) én op voorwaarde dat ze niet te lang zouden blijven.

Het geld van de Doorvaart was dus enerzijds een middel om pelgrims aan te trekken maar vooral een middel om minder gewenste personen zo snel mogelijk terug op pad te krijgen.

Bomen die in de weg staan

Het stadsarchief bewaart in het zogenaamde archieffonds ‘de Schaetzen de Schaetzenhoff’ de brievencollectie van ridder Oscar de Schaetzen. Hij werd in 1836 in Tongeren geboren er overleed hier in 1897.

Van 1864 tot aan zijn dood was hij gemeenteraadslid in Tongeren, hij was ook verschillende jaren schepen, provincieraadslid en in 1881-1894 volksvertegenwoordiger namens het arrondissement Tongeren. Behalve die functies was hij ook voorzitter van het kerkbestuur van OLV, voorzitter van het Davidsfonds, lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen etc.

Zijn brievencollectie is uniek omdat zowel de lokale gemeentepolitiek (gaande van Mechelen-aan-de-Maas en Rekem tot Broekom en Heks) aan bod komt, vragen tot benoemingen en bevorderingen, het doen van een goed woordje voor iemand, … maar ook familiale beslommeringen. Opvallend in aantal zijn de vragen aan ‘monsieur le représentant’ of ‘monsieur le chevalier’ om bij de één of andere minister te polsen voor de aanleg van een tramlijn, de bouw van een station of school, enzovoort.

Om een voorbeeld te geven. In 1886 werd hij gecontacteerd door de gemeenteraad van Millen die met een groot probleem zat; namelijk de vele bomen langs de grote baan tussen Tongeren en Maastricht. Deze bomen stonden nu ongeveer 75 jaar (sommigen hadden een diameter van meer dan twee meter!) en waren zo groot geworden dat ze tot op een afstand van twintig meter zorgden voor schaduw waardoor het onmogelijk was om langsheen te steenweg te akkeren (mede doordat de bomen het water opzogen).

De gemeenteraad van Millen sprak Oscar de Schaetzen over deze problematiek aan om de minister van Openbare Werken te verzoeken te bomen te verkopen (en kappen).

Aan de oproep werd in eerste instantie geen gehoor gegeven, maar omdat de bomen ook behoorlijk oud waren, werden ze enkele jaren later dan toch gekapt.

Rutten ‘onder de scanner’: een kijk op de middeleeuwse dorpskern

In opdracht van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (en met steun van de stad Tongeren via de erfgoedsubsidie) voerde John Nicholls van Target Archaeological Geophysics afgelopen week in Rutten een geofysisch onderzoek uit in de Motweide, de Kapelweide en Zwarte Weide.

Opzet was om een beeld te krijgen van eventuele archeologische resten van de middeleeuwse dorpskern onder deze weiden. Geofysisch onderzoek laat namelijk toe om zonder te graven toch snel een idee te krijgen van wat er onder de grond verborgen ligt. Met dit soort onderzoek kan John namelijk met zijn quad en ‘sensorenkar’ vanaf de oppervlakte afwijkingen in de ondergrond meten, bijvoorbeeld via verschillen in weerstand, in magnetische eigenschappen of dichtheid. En dergelijke afwijkingen kunnen worden veroorzaakt door archeologische resten.

De Motweide is genoemd naar de beschermde middeleeuwse motte die de weide domineert, vlakbij de hoeve Lenaerts. In de Kapelweide, het toneel van de Evermarusviering, liggen onder de huidige kapel de restanten van een middeleeuwse kerk, maar misschien ook van een bijhorend klooster. En vermits uit een kleine opgraving in 1986 is gebleken dat er heel veel Romeinse bouwfragmenten in de kerkfunderingen zijn verwerkt, moeten wij misschien ook aan een Romeins gebouw denken. Van de Zwarte Weide weten wij weinig tot niets, behalve dat hier een stuk silexmuur in de berm is bewaard.

Het is nog wachten nop de eerst resultaten van het onderzoek. De metingen uit de verschillende onderzoeken, in Rutten magnetometrie en grondradar, moeten namelijk eerst nog visueel ‘vertaald’ worden naar een kaart en dan geïnterpreteerd. DSC_5955