Een vaantje van Cercle Tongeren

Nico Olislagers schonk ons een klein vaantje waarop de vlag van Cercle Tongeren staat met opschrift ‘Cercle Tongres’.

Dit soort van vaantjes werd gemaakt voor bijna alle voetbalploegen in België. Producent was de koekjesfabriek Dupon in Ichtegem die ze verdeelde onder de klanten die veel ijsjes afnamen. Bedoeling was om dit soort van vaantjes of vlagjes in een ijshoorntje te steken om zo reclame te maken voor de plaatselijke ploeg. De fabriek was van Italiaanse oorsprong – vandaar ook dat op de kleine voetbal boven ‘Cercle Tongres’ geschreven staat ‘Italo-Belge’ – en werd later door de familie Dupon uitgebouwd.

Met dank aan Nico Olislagers voor deze bijdrage.

Kermisspel ‘Smoutebollen en kermiskoers van Zussen tot As’

Erfgoed Tongeren werkte in 2020 mee aan een spel rond Limburgse dorpskermissen in samenwerking met de erfgoedactoren Erfgoed Haspengouw, Erfgoedcel Mijn-Erfgoed, het Limburgs Volkskundig Genootschap, Heemkunde Limburg, Lanaken en Hasselt.

Het spel ‘Smoutebollen en kermiskoers’ is ontworpen voor kinderen van 8 tot 12 jaar. Het is een spel over de tradities, attracties en verhalen van Limburgse dorpskermissen doorheen de geschiedenis. Het geeft kinderen inzicht in de betekenis en evolutie van dorpskermissen in Limburg, wakkert interesse in erfgoed aan en laat hen nadenken over maatschappelijke veranderingen.

Waarover gaat het spel?

De spelers werken samen met kermiskraamster Odette Pret om baron Kris Von Domper te verslaan. Hij wil alle dorpskermissen doen verdwijnen zodat iedereen naar zijn eigen grote kermis komt. Gelukkig biedt kermiskraamster Odette Pret weerstand. Zij wil dat de Limburgse dorpskermissen blijven bestaan. Het is aan de spelers om samen met haar te vechten voor het voortbestaan van deze dorpskermissen.

Meer informatie over het spel kan je vinden via: https://kermis-in-limburg.be/kermisspel/

Alle Tongerse basisscholen hebben deze week het spel ontvangen. Je kan het spel ook ontlenen in de bibliotheek van Tongeren of bij Erfgoed Tongeren.

Contact

Erfgoed Tongeren – Via Julianus 2 – 3700 Tongeren – erfgoedcel@stadtongeren.be 

Die Romeinen konden bouwen…

Wanneer nutsleidingen worden aangelegd of gerenoveerd krijgen de uitvoerende bedrijven allerlei onvoorziene obstakels voorgeschoteld. Meestal zijn die zonder veel problemen uit de weg te ruimen. Eén soort van obstakel vraagt echter wat meer inspanning: Romeins metselwerk.

Bij de aanleg van een nutsleidingensleuf aan de Bilzersteenweg, dwars over het stuk weg dat naar het Kerkhof leidt, stootte de kraanman vorige week op een ‘taai’ en dik stuk metselwerk dat niet zomaar wilde wijken. De ploegbaas herinnerde zich gelukkig dat bij nutswerken aan de Caesarlaan, zowat 50 m verderop, de fundering van de Romeinse stadsmuur was aangesneden. Hij had de gezonde reflex om  de stadsarcheoloog te contacteren.

Omdat het stuk fundering in het midden van de weg lag en de sleuf zo snel mogelijk terug dicht moest, kon er enkel  een snelle registratie worden uitgevoerd  vooraleer het metselwerk werd uitgebroken.

De 2 m dikke fundering van de stadsmuur was opgetrokken in onbekapte silexblokken gezet in een grijswitte en gele kalkmortel. Vermits de sleuf slechts ca 110 m diep werd aangelegd, kon niet nagegaan worden op welke diepte de onderkant van de fundering lag.
De combinatie van deze bouwmaterialen levert een zeer harde structuur op, die enkel met veel moeite kan worden afgebroken (zelfs met een drilboor). Of zoals één van de arbeiders zei: ‘Die Romeinen konden bouwen …’.

Dit zeer kleine  kijkvenster op de stadsmuur levert op zich weinig nieuwe info over de stadsmuur zelf, maar is wel belangrijk omdat wij nu de precieze locatie van de stadsmuur aan deze zijde van de Bilzersteenweg kennen. Deze informatie kunnen wij koppelen aan gegevens uit oud terreinonderzoek naar de Romeinse stadsmuur en –poort in en bij  het kerkhof, en aan nieuwe informatie uit de 2019-opgraving van het aanpalende bouwproject.

Bijdrage van Dirk Pauwels.

Napoleon (1769-1821)

Vandaag is het exact 200 jaar geleden dat de Franse keizer Napoleon Bonaparte overleed op het eiland Sint-Helena in de zuidelijke Atlantische oceaan. Napoleon, afkomstig uit Corsica, was vanaf 1799 eerste consul van de Franse Republiek (die werd uitgeroepen in 1792) en vanaf 1804 keizer. Terwijl zijn dood in 1821 stilletjes voorbij ging, werd hij tijdens zijn leven meermaals gevierd in Tongeren.

Zo vond er bijvoorbeeld op 14 juli 1802 een groot feest plaats ter gelegenheid van de vrede die werd gesloten tussen Napoleon, Spanje, Engeland en de Bataafse Republiek. Ook op 30 juli 1803 was het groot feest in de stad, want die dag passeerde Napoleon, dan nog eerste consul, in Tongeren op weg naar Maastricht. Hij hield hier even halt en luisterde naar een toespraak. Burgemeester van der Meer wachtte hem op aan de Kruispoort en bood hem de sleutels van de stad aan. De straten waren met groen versierd en er werden vijf triomfbogen opgericht. Een jaar later mocht burgemeester van der Meer trouwens aanwezig zijn op de kroning van Napoleon tot keizer.

Nog grootser was het feest dat in 1801 plaatsvond om het concordaat met de paus te vieren (tot dan hadden heel wat pastoors ondergedoken geleefd, mensen mochten niet naar de mis, …). 101 kanonschoten werden afgevuurd, er werd een Te Deum gezongen, de openbare gebouwen werden verlicht, er waren twee banketten en extra uitdelingen aan de armen. En op 2 juni 1811 werd in Tongeren de geboorte gevierd van de koning van Rome (de latere Napoleon II die overleed in 1832), zoon van keizer Napoleon.

Op 5 december 1813 werd nog een buste ingehuldigd ter ere van zijn verjaardag. Deze buste, in witte marmer, werd in eerste instantie geschonken aan de stad Luik. Maar, de gemeenteraad daar wilde niks van de buste weten en vervolgens werd het beeld verkocht aan de stad Tongeren. Sindsdien heeft het zich altijd in het stadhuis bevonden. Enkel door de recente restauratiewerken is het tijdelijk verwijderd. Dat men in Tongeren toch dit beeld aanvaardde, had misschien te maken met het feit dat meneer Crooy, oud-officier in het leger van Napoleon, in de gemeenteraad zetelde en dat er toch nog wel heel wat oud-strijders van Napoleon in Tongeren waren.

De enige vermelding van zijn overlijden heb ik gevonden in het dagboek van Frans Driesen die meldde dat op 5 mei 1821 op het eiland Sint-Helena Napoleon was overleden. Het nieuws kwam uit Frankrijk en er werd verteld dat hij was overleden aan een hartaanval terwijl men in Engeland zei dat hij aan maagkanker had geleden. Terwijl de Tongerse gemeenteraad of de officiële briefwisseling hier geen melding van maakten, vonden we uit dezelfde periode wel verschillende uitnodigingen terug om een Te Deum bij te wonen dat werd gehouden ter nagedachtenis van de overwinning bij Waterloo oftewel de nederlaag van Napoleon.

Dodendansers en flagellanten

Toen ik een eerste keer las dat er ook Dodendansers en flagellanten in Tongeren actief waren, moest ik hier verder naar op zoek gaan. De zoektocht leverde jammer genoeg niet veel op, maar ik wil dit boeiende stukje Tongerse geschiedenis toch even kwijt.

Om te beginnen, wie waren die Dodendansers en flagellanten? De dodendans of ‘dans macabre’ ontstond in de veertiende eeuw tijdens de grote pestuitbraken. Toch zijn er ook al voorlopers bekend. In 1027 werden op een kerkhof, ergens in de regio, achttien boeren aangetroffen die door het wilde dansen uitgeput waren geraakt. Uit 1237 dateert een vermelding van wild dansende kinderen in Erfurt en in 1278 stortte in Utrecht de Moezelbrug in doordat er mensen op stonden te dansen. Een tweehonderdtal dansers vond toen de dood. Maar in het algemeen wordt de Dodendans gelinkt aan wild dansende mensen, in extase, die zich naar een kerkhof begaven. Over het ontstaan van dit fenomeen is al veel geschreven en momenteel wordt het gezien als een soort van verwerkingsproces voor de vele doden die er toen vielen. Tot 25% van de bevolking, en op sommige plekken nog meer, zou toen gestorven zijn.

De dodendans werd ook wel de dans van Sint-Jan of Sint-Vitus genoemd. De Johannesdansers droegen typisch kransen in hun haren. Terwijl met de Sint-Vitusdans ook wel verwezen werd naar een epileptische aanval.

In 1374 werden wild dansende groepen van mensen vermeld in Aken. Mannen en vrouwen dansten in een kring tot ze uitgeput neervielen of visioenen begonnen te krijgen. Vanuit Aken verspreidde het fenomeen zich verder naar Luik, Tongeren en Utrecht.

De dodendans vond ook zijn weg naar de kunst. De oudste afbeelding ervan is op een schilderij uit 1312. Meer bekend is de dodendans op het Cimetière des Innocents in Parijs (c.1425). Het thema kwam nadien ook voor in gedichten en in de muziek. Denk bijvoorbeeld maar aan het bekende stuk van Camille Saint-Saëns (1835-1921) dat Danse Macabre noemt.

De Dodendans op het Cimetière des Innocents in Parijs, tekening uit c.1425.

De Dodendans zou in Tongeren na de middeleeuwen nog uitgevoerd worden door het Broederschap van Sint-Hubertus en door de zwaarddansers, maar dan eerder als een soort van kunstvorm.

In dezelfde periode dat de Dodendansers populair werden, in de veertiende eeuw dus, werden in Tongeren en de regio ook de eerste flagellanten of zelf-geselaars vermeld. In 1400 werden die bijvoorbeeld vermeld in Luik en Maastricht waar ze verdreven werden door de troepen van de prins-bisschop. In Tongeren kon men ze wel buiten de stadspoorten houden. Degenen die toch konden binnensluipen werden gevangen gezet.

Ook hier is dus sprake van een fenomeen dat zijn oorsprong vond in de pestperiode. Maar tegenstelling tot de Dodendansers, die probeerden om te gaan met de dood of heil zochten in extase, wilden de flagellanten op een extreme manier boete doen namens zichzelf maar ook namens alle andere mensen. Terwijl de flagellanten in eerste instantie als een positieve uiting werden gezien door de Kerk – de Dodendansers werden als duivels beschouwd – moest er toch ingegrepen worden om de controle te kunnen bewaren. De flagellanten werden ingepast binnen processies zoals er vandaag de dag nog steeds bestaan.

Plundering van de kerk van Herderen anno 1568

Op 18 juli 1568 verschenen voor de schepenbank van Vreren een groepje boze en angstige mensen die slechts één ding willen: gerechtigheid tegenover Willem van Oranje. Eén voor één vertelden de leden uit het groepje aan de schepenen hoe dat de kerk van Herderen de dag voordien werd ingenomen door de huurlingen van de Prins van Oranje en hoe dat ze de kerk ‘gebroken’ hadden achtergelaten. Klaas Hermen, bijvoorbeeld, vertelde de schepenen hoe dat hij met lede ogen moest aanzien hoe de huurlingen de kerkdeur openbraken en even later terug naar buiten kwamen met gestolen kleren en beddengoed, waarna de soldaten op hun paarden klommen en richting Tongeren reden. Merten Daerden en zijn dochter voegden hieraan toe dat ze zagen hoe dat de huurlingen de keuken wisten buit te maken: ketels, graan, vlees en vis werden allemaal als proviand meegenomen. Ook Jonas Wijrich getuigde hierover en beschreef dat de verdwenen altaarstukken het resultaat waren van de plundering en nu in de zakken van de soldaten lagen opgeborgen als oorlogsschat. Als laatste kwam Cornelis Thijs aan het woord die als één van de weinige mensen de beschadigde kerk durfde binnen te gaan nadat de soldaten vertrokken waren. Cornelis kon niet anders dan het woord ‘geschandijleert’ gebruiken wanneer hij zijn getuigenis aflegde want van de versierde binnenkant van de kerk bleef volgens hem enkel een puinhoop over. Hij trof in de kerk meerdere stukgeslagen beelden aan en bemerkte ook hoe de mooi geïllustreerde vensters waren vervangen door scherven gebroken glas dat op de grond lagen.

De gebroken kerk gaf een beeld dat de getuigen deed denken aan de gevreesde beeldenstorm van 1566 waarbij ze hun katholieke identiteit in gevaar zagen komen door een nieuwe protestantse vijand. De getuigenissen van dit groepje mensen was hoogstwaarschijnlijk overdreven dankzij de schok van de plotse vernielingen, maar toch kan hun angst begrepen worden wanneer je bedenkt dat de kerk voor deze mensen het symbool was van hun lokale en spirituele identiteit. En ze waren niet de enigste, want in het jaar 1568 trok het leger van de Prins van Oranje doorheen het graafschap Loon om de Spaanse zuidelijke Nederlanden binnen te vallen. Doorheen heel het graafschap werden kerken geplunderd en werden rechtszaken opgezet. Rechtszaken die, net zoals degene die hierboven beschreven is, nooit tot een vonnis kwamen.

Met dank aan Ruan Verheyen voor deze bijdrage.

Schenking familie Moors

Vorige week kregen we een hele mooie schenking vanwege de familie Moors. Behalve verschillende familiefoto’s, waren bij deze schenking ook de militaire foto’s en de Tongerse herdenkingsmedaille van Renier Moors (1878-1938). Renier was afkomstig uit Millen en diende in augustus 1914 als soldaat bij de vesting rond Luik. Na de val van Luik werd hij verplaatst naar Antwerpen. Toen ook Antwerpen dreigde te vallen, werd hij door zijn overste verplicht de grens met Nederland over te steken waar hij met zijn eenheid werd opgepakt door de Nederlanders. Omdat Nederland neutraal was tijdens WO I, werd hij geïnterneerd in het kamp van Harderwijk. Vier jaren lang zat hij daar gevangen en kon pas op 21 december 1918 huiswaarts keren. Hij was toen al gehuwd met Elisa Jans en woonde in Sluizen en Nerem. De eerste foto hieronder toont Renier rond 1898, toen hij zijn legerdienst deed bij het 2e Regiment Lansiers. De tweede foto toont hem bij zijn oproeping in augustus 1914.

De zoon van Renier, Gustaaf Moors (1903-1979), was dan weer actief tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was eerst betrokken bij de Achttiendaagse Veldtocht (mei 1940) en vervolgens als weerstander. Ook zijn echtgenote, Anna Grommen, was actief als weerstander. Bij de schenking van de familie Moors, zitten ook twee indrukwekkende lijkredes, door andere oud-strijders uitgesproken tijdens hun begrafenis (Gustaaf overleed in 1979 en Anna in 1995).

Gustaaf was actief als partizaan waardoor hij ook een diploma kreeg vanwege de overheid van de Sovjetunie. Verschillende Tongenaren hebben dat bijzondere diploma, in het Russisch, gekregen. Interessant detail, het diploma verwijst naar de oorlog van 1941-1945. Dit komt natuurlijk omdat Rusland pas in 1941, ten gevolge van Operatie Barbarossa, in de oorlog werd betrokken.

Jules Bertin op het standbeeld van Ambiorix

Jules Bertin werd geboren in 1826 te Saint-Denis nabij Parijs. In de jaren 1840 verhuisde hij met zijn ouders naar Luik. Van 1842 tot 1848 studeerde hij aan de Academie van Antwerpen (kunstacademie) maar ondanks dat hij in Antwerpen woonde, stond hij nog steeds gedomicilieerd in Parijs. Blijkbaar had hij nog goede contacten in Luik want daar huwde hij in 1854 met Catherine Henry (°1813). Het echtpaar verhuisde in 1857 naar Tongeren waar Bertin een opdracht kreeg naar aanleiding van de restauraties die toen bezig waren aan de OLV-kerk. In 1857-1859 huurden ze een huis in de Wijngaardstraat en in 1859-1863 een huis in de Sint-Jansstraat. De directeur van het Stedelijk College stelde Bertin ook een lokaal ter beschikking als atelier.

Bertin en zijn vrouw verhuisden in 1863 naar Sint-Joost-ten-Node en vervolgens naar Schaarbeek. Tot 1873 bleven ze in België wonen waarna ze terugkeerden naar Saint-Denis in Frankrijk. Bertin zou daar zelfs nog gemeenteraadslid worden. Hij overleed er ook in 1892.

Toen hij in Tongeren woonde, was hij lid van het Geschied- en Oudheidkundig Genootschap dat het plan had opgevat een beeld te laten oprichten ter ere van Ambiorix. Dat idee werd mee opgepikt door het stadsbestuur en Bertin kreeg de opdracht het project uit te voeren. Vanuit academische middens kwam er heel wat kritiek over de vormgeving (die als te geromantiseerd werd beschouwd) en Bertin kwam in conflict met de stad over bijkomende onkosten. Waarschijnlijk één van de redenen waarom hij Tongeren ook verliet.

Voor de rest weten we heel weinig over het leven van Jules Bertin toen hij in Tongeren verbleef. Hij zou altijd hebben rondgelopen met een kunstenaarshoed en een fluwelen vest en hij zou, als echte Fransman, enkel wijn hebben gedronken. Uit die periode is ook geen foto van hem bewaard.

Maar een interessant detail werd opgemerkt door Frits Berckmans die verschillende publicaties over Ambiorix schreef. Ambiorix draagt namelijk aan zijn rechterbovenarm een armband waarop zich twee medaillons bevinden met de afbeelding van een man en een vrouw. Meestal worden hier de opdrachtgevers op afgebeeld, maar Frits kon die niet thuis wijzen. Zijn idee was dan ook dat Jules Bertin zichzelf en zijn vrouw had afgebeeld op de medaillons. Dankzij een afbeelding, gedateerd in de jaren 1880, die ons werd bezorgd, kunnen we deze theorie van Frits bevestigen. Kijk zelf maar eens naar de afbeeldingen hieronder.

Nieuwe genealogisch-historische website

Gisteren werd ons door Kenneth Booten het bestaan van een nieuwe website gemeld waarop hij genealogische en historische databanken ter beschikking stelt. Kenneth kennen we trouwens van een onderzoek dat hij aan het doen is naar de bibliotheek van Balthazar van Muysen (18e eeuw) die op de hoek van de Plein met de Putstraat woonde (het ingestorte kloosterpand).

Op zijn website stelt hij verschillende databanken ter beschikking, voornamelijk betreffende de omgeving rond Tongeren. Voor Tongeren zelf heeft hij bijvoorbeeld enkele strafregisters van de gevangenis bewerkt (periode 1868-1920).

Tegen de zomer plant hij nog een overzicht te maken van gevangenen die tijdens de Eerste Wereldoorlog op bevel van de Duitse bezetter te Tongeren werden opgesloten. En verder kijken we ook nog uit naar het patentenregister uit de Franse Tijd dat een interessante bron vormt voor de overgang van de ambachten na de Franse Revolutie.

De Riddersstraat

Vooreerst willen we alle lezers de beste wensen voor het nieuwe jaar doen! Deze blog gaat al zijn zesde jaar in en dit jaar hopen we onze 250e blogpost te vieren.

Vandaag een stukje over de Riddersstraat, geschreven met twee s’en, want af en toe wordt de naam wel eens verkeerd geschreven. De straat verwijst bijgevolg niet naar één ridder maar naar meerdere.

Naar aanleiding van het plaatsen van een nieuw straatnaambordje werd gevraagd naar de oorsprong van de naam. We nemen dan meestal het boek ‘Tongeren en zijn straten door de eeuwen heen’ van Dany Baillien ter hand. Die vertelt over de Riddersstraat (hij schrijft het trouwens met slechts één s) dat de naam verwijst naar de ridders van Tongeren welk riddergeslacht vanaf de twaalfde tot en met de veertiende eeuw leefde. Begin vijftiende eeuw nam de stad op haar zegels het wapen van die ridderfamilie over en dit is nog steeds het stadswapen (de blauwe vairblokjes op een zilveren of witte achtergrond met een verhoogde dwarsbalk van goud of geel). Dany Baillien vermeldt eveneens dat de straatnaam voor de eerste keer vermeld werd in de achttiende eeuw.

Vanaf hier startte onze zoektocht want Dany Baillien vermeldde ook dat hij vermoedde dat de naam naar de ridders van Tongeren verwees, maar er niet geheel zeker van was. In eerste instantie dachten we dat de straat vernoemd was naar de familie de Schaetzen die in deze straat een woning had en eind negentiende eeuw de riddertitel kreeg. Maar chronologisch kan het dan natuurlijk niet dat de straatnaam al een eeuw eerder bestond. Midden negentiende eeuw waren enkele huizen eigendom van ridder Jan Filips de Saren, zoon van ridder Willem Pieter de Saren en in 1822 gehuwd met Marie Josephine Rubens. Maar dit kan chronologisch ook niet. Wel een mogelijkheid was dat de straatnaam verwees naar ridder Peter Godfried de Leonaerdts die in de tweede helft van de achttiende eeuw een huis bewoonde in de Riddersstraat. Hij was gehuwd met barones Anna Elisabeth de Hubens van wiens hij een huis met brouwerij in deze straat erfde. Nog verder zoekend vonden we in de registers van de schepenbank een verwijzing uit 1604 naar deze Riddersstraat waardoor de naam ook niet naar ridder de Leonaerdts kon verwijzen.

Nog ouder wordt het moeilijk want de alleroudste vermeldingen van deze naam vinden we al terug in de vijftiende en zestiende eeuw maar dan verwijzend naar de Koolkuil! Die werd het Riddersstraatje genoemd naar de ridders van Pietersheim die op de hoek met de Wijngaardstraat een grote stadswoning hadden. De huidige Riddersstraat werd in diezelfde periode Piepelpoel genoemd (bijgevolg in het verlengde van de huidige straat) of aan de Commerput (die op de hoek met het gasthuis lag – de Predikherenstraat bestond toen nog niet want dat klooster kwam er pas in de zeventiende eeuw).

Een ingewikkeld verhaal net zoals enkele andere straatnamen in het stadscentrum moeilijk te verklaren zijn (we denken dan aan de Hondsstraat, Koolkuil, Bulkerstraat, …). Voorlopig geven we dus Dany Baillien het voordeel van de twijfel en zijn het met hem eens dat onze huidige Riddersstraat verwijst naar het middeleeuwse riddergeslacht.