Schilderij uit het kasteel van Betho te koop

Rudy Van Elslande, die in het verleden een artikel over een Vlaams primitief schilderij voor ons schreef, maakte ons attent op de verkoop van een schilderij uit de voormalige collectie van het kasteel van Betho.

Dat kasteel kreeg zijn huidige uitstraling door toedoen van de familie de Simonis tweede helft zeventiende eeuw en vooral door toedoen van graaf Frans van Hinnisdael in het begin van de achttiende eeuw. Deze laatste was gehuwd met Maria Anna van Berchem wiens grafmonument zich in de Tongerse gasthuiskapel bevindt. Midden achttiende eeuw werd Betho één van de prachtigste kastelen in de regio.

Honderd jaren later echter, midden negentiende eeuw, werd het kasteel nog amper bewoond. Enkel de eraan verbonden boerderij was nog in bedrijf en de erfgenamen van de familie de Hinnisdael beslisten de inboedel te verkopen. De prachtige bibliotheek, het zeventiende- en achttiende-eeuwse meubilair, zelfs middeleeuwse harnassen en familieportretten werden in Luik in een veilinghuis te koop aangeboden. Hierdoor raakte de volledige collectie verspreid zoals waarschijnlijk ook het schilderij dat nu te koop wordt aangeboden.

VanderBurch

Het schilderij zelf is een portret van ridder Louis van der Burch, lid van een bekende adellijke familie en verwant met de genoemde Maria Anna van Berchem.

Nieuwe kadasterkaarten online

Op de website http://www.geheugenvantongeren.be zijn vier nieuwe gedigitaliseerde kadasterkaarten toegevoegd. Het betreft de primitieve kadasterkaarten (c.1842) van Blaar-Offelken, Rutten, Widooie en Henis. Hiermee staat nu de helft van de kaarten online. De andere kaarten zijn ook al ingetekend (met dank aan Erik Vranken voor het intekenen en Vicky Verscheijden voor het IT-gedeelte) maar de bijhorende gegevens zoals grondeigenaren, type bebouwing, etc. moeten nog nagekeken worden.

Leuk om te ontdekken op de kaart van Blaar-Offelken is bijvoorbeeld hoe het gebied rond de Motten is veranderd en vooral hoe ingrijpend de bouw van het industrieterrein Overhaem geweest is. Rutten daarentegen is wel nog heel goed herkenbaar. Het dorpscentrum is zeker de moeite om eens te kijken. Daar kan je nog goed de grote hoeves herkennen die nu toch iets meer aaneengesloten liggen. Opvallend in Widooie is net zoals in Rutten hoe de open ruimte in de dorpskern systematisch is vol gebouwd. Tenslotte in Henis vallen de oude bewoningskernen op: Kerkhenis, Verhenis en de Beis.

Kadaster

Een Tongers voorstel voor een oorlogsmonument (14-18) dat niet geselecteerd werd

Enkele weken na het einde van de Eerste Wereldoorlog werd er al nagedacht over het oprichten van een oorlogsmonument. Het belangrijkste monument in Tongeren moest op de Graanmarkt komen. De stad schreef de kunstenaarsafdeling van de ‘Ligue Nationale du Souvenir’ aan waarna verschillende kunstenaars een voorstel deden. Hierbij waren Paul Stoffijn (leraar aan de Academie van Elsene), Albéric Collin (een jonge beeldhouwer wiens werk op advies van Jean Wilmots uit Antwerpen werd ingestuurd), E. Falize (verbonden aan de Academie van Luik) en Pieter Braecke wiens werk het uiteindelijk haalde.

Zoals gezegd werd het werk van Pieter Braecke uiteindelijk gekozen. Het zou uiteindelijk tot 1926 duren alvorens het gebouwd werd. Hetzelfde jaar, op 29 augustus, werd het nog ingehuldigd in aanwezigheid van koning Albert I en koningin Elisabeth. Ondertussen had de stad in 1920 ook aan architect Mathieu Christiaens gevraagd een ontwerp te maken voor een monument op het stedelijk kerkhof. Christiaens haakte af en eind 1922 werd een projectvraag rondgestuurd waarop zeven kandidaten reageerden onder wie de steenkappers Robert Sweeck en Félix Warzée wiens bedrijven nagenoeg alle grafstenen in Tongeren leverden. Geen van die zeven kandidaten werd gekozen maar wel architect Achille Foucart die eveneens werkzaam was in Tongeren.

Bij die kandidaturen hoorde een plannetje met beschrijving en al dan niet ook een maquette of foto. Toevallig vonden we één van die foto’s terug, namelijk die van het ontwerp van de Tongerse architect Marc Simons. Op de foto zien we vier acteurs: een vechtende soldaat, een gewonde soldaat die verzorgd wordt door een verpleegster en een gedode burgervrouw. Het ontwerp werd echter te laat ingediend en haalde het dus niet.

oorlogsmonument

De Jaminéstraat eind jaren 1920

Vandaag tonen we enkel een bijzondere foto die genomen werd door Edmond Jaminé (1856-1932) in de Jaminéstraat. Die straat werd naar hem (zijn geboortehuis lag op de hoek met de Leopoldwal) en zijn grootvader Jozef Laurent Jaminé (1797-1883), burgemeester van Tongeren, genoemd. Voordien heette de straat de Klein Statiestraat en Viaductstraat.

De foto toont ‘grabbeles’ na een huwelijk. Bijzonder is dat dit één van de weinige foto’s van deze straat is uit die periode. We hebben met ‘google streetview’ gezocht van waar de foto genomen is. Enkel de huizen links beneden zijn nog dezelfde. In de verte zien we de spoorwegbrug en let ook op de tramsporen die er nog liepen.

Jaminéstraat

Jaminéstraat2

Haankappen en seelwerpen

Wat deed men vroeger zoal om zich bezig te houden? In ieder geval niet altijd iets om thuis uit te proberen…

Tot circa 1900 werd met kermis in Berg een levende haan omgekeerd opgehangen in een korf zonder bodem. Wanneer je dus aan de korf inkeek, kon je hem zien hangen. Vooral meisjes werden geplaagd om zich te laten blinddoeken. Nadat ze een paar keren werden rondgedraaid, kregen ze een sabel en mochten proberen de haan te onthoofden. Dit gebruik bleef bestaan tot aan de Tweede Wereldoorlog maar dan wel met een dode haan.

Eenzelfde soort gebruik bestond in Vreren en Sluizen. Op de binnenplaats van een boerderij werd een paal geplaatst waaraan een touw hing en aan dat touw hing een zware steen. Met een ‘seel’, een vierkante ijzeren staaf met rond handvat, werd geworpen naar het touw en wie het touw kon doorgooien, kreeg een beloning. Tot in de negentiende eeuw hing er echter geen blok aan het touw, maar wel een gans die aan de nek werd opgebonden of een schaap aan zijn achterpoten. De winnaar kreeg dan het dier.

En om in dezelfde ‘diervriendelijke’ context te blijven. Tot begin twintigste eeuw werd op kermisdagen bij Rosmeulen te Berg, maar ook op de Zavelberg te Neerrepen en op de Bilzersteenweg een levende gans de nek afgegooid met een ‘seel’.

De ‘Boulevard du Nord’ – Achttiende Oogstwal

Op onze facebookpagina was er discussie omtrent de oude naam van de Achttiende Oogstwal. Met dit artikel wordt echter alles duidelijk! De Achttiende Oogstwal kreeg zijn naam na de Eerste Wereldoorlog ter herinnering aan de dood van twaalf Tongenaren die op 18 augustus (oogst) 1914 door Duits geweervuur – de Duitsers dachten dat er partizanen aan het werk waren  – om het leven kwamen. Het merendeel van de doden viel in de buurt van de Maastrichtersteenweg. Voordien heette deze straat de ‘Boulevard du Nord’ of ‘Noorderlaan’. Trouwens, tot 1939 was het Frans ook een officiële taal in Tongeren en noemde de Achttiende Oogstwal nog ‘Boulevard du 18 août’.

Maar, in 1914 kon je nog niet via de Achttiende Oogstwal van Maastrichterpoort naar Bilzersteenweg gaan want dat stuk van de ringlaan bestond nog niet. De Achttiende Oogstwal – we spreken verder over de Noorderlaan – vormde op dat moment in feite de verlenging van de Leopoldwal en liep richting de Driekruisenstraat. Het eerste stuk van de Driekruisenstraat, tot aan het kruispunt met de Sacramentstraat, noemde trouwens ook nog Noorderlaan. De idee was dan ook om een boulevard te creëren die liep vanaf Moerenpoort, langs Maastrichterpoort en zo langs de oostzijde van het kerkhof naar Bilzersteenweg.

De aanleg van de Leopoldwal en de Noorderlaan gebeurde ongeveer vanaf de jaren 1860, maar het merendeel van de herenhuizen werd gebouwd vanaf eind jaren 1870 (de Maastrichterpoort was al afgebroken in 1817). Hetzelfde gebeurde ter hoogte van de Bilzersteenweg waar de Sint-Maternuswal werd aangelegd. Deze liep vanaf de Bilzersteenweg tot ongeveer aan de huidige brandweer (dus maar een heel kort stukje) om daar op de Sacramentstraat aan te sluiten. Hier werden de grachten iets later gedempt – eind jaren 1880. Maar het stukje waar nu het appartementencomplex Anicius is en waar vroeger de stelplaats van de bussen was, bleef echter nog omwalling. Hier liep de ringlaan dus nog niet! Dit stukje gracht werd pas vanaf de jaren 1930 gedempt waarna in de jaren 1950 de ringlaan ontstond zoals we die nu nog kennen.

Onderstaand een foto die genomen is van ongeveer waar nu het Heilig Hartbeeld staat (jaren 1930?) en een detail uit de militaire kaart van 1935 waarop we de tramlijnen (rood) en de gracht (groen) hebben aangeduid.

Noorderlaan1

Noorderlaan1935

 

 

Een dorpsuitbreiding in Koninksem eind achttiende eeuw

Jeanno Ernots stuurde ons een vertaling door van een overlijdensakte uit Koninksem uit 1795. De tekst luidt: ‘op 11 januari 1795 is overleden Anna Maria Dessers, vrouw van Franciscus Ernots. Hier in 1759 getrouwd, was ze de wettige dochter van Willem Dessers en Oda Dunbier, eveneens hier gehuwd. Anna Maria werd in Koninksem geboren en nadien in Tongeren gedoopt. Ze was bij haar overlijden voorzien van alle sacramenten en we hebben haar de 13e januari met een plechtige uitvaart begraven op ons kerkhof. Hiervoor werd ons (de pastoor) zes gulden betaald. RIP. Nota bene: ze liet achter haar man met wie ze in een moderne uitbreiding van dit dorp woonde, samen met twee zonen en vier dochters waaronder een dochter die gehuwd is met Joannes Groetaers. Dit vermelden we pro memorie, misschien te gebruiken voor een genealogie.’

Hetgeen een gewoon overlijdensbericht lijkt, bevat toch meer dan standaard genealogische informatie. Blijkbaar was dat ook het opzet van deze vooruitziende pastoor van Koninksem. Een andere ongewone vermelding is dat het gezin woonde in een ‘pagi satellitam modernum’ hetgeen een moderne verkaveling of woonuitbreiding van het dorp betekent. Waar die gelegen was, is niet heel duidelijk. Afgaande op het primitieve kadaster van de jaren 1840 zou het om de boerderij kunnen gaan van Jan Ernots, die pakweg halfweg de huidige kerk en hoeve Brône langs de Koninksemstraat was gelegen.

De ‘vooruitziende’ pastoor was Frans Lambert Berden (1733-1813) uit Tongeren die in 1760-1811 (meer dan vijftig jaren!) rector en vervolgens pastoor van Koninksem was (Koninksem was tot de Franse Tijd een kwartkapel van de OLV-kerk van Tongeren en de pastoor noemde tot dan ‘rector’. Kinderen uit Koninksem werden gedoopt in de OLV-kerk). Over die pastoor valt heel wat te vertellen, net omdat hij zoveel briefwisseling, nota’s en andere documenten heeft nagelaten. Een publicatie die momenteel over Koninksem wordt geschreven door Anne-Marie Scheepers zal dan ook heel wat gegevens uit door hem opgestelde archieven bevatten.

01

 

Pasen begin twintigste eeuw

Onze blogposten hebben een tijdje stil gelegen, maar we zijn terug. We gaan wekelijks (hopelijk twee keren per week) proberen iets te posten. Wil je deze berichten automatisch binnenkrijgen, vergeet dan zeker niet om je aan te melden aan de linkerzijde!

Vandaag ‘Paaschgebruiken’ zoals opgetekend door Jules Frère (1881-1937).

‘Op Witte Donderdag, onder het Gloria van de mis, vertrekken de klokken naar Rome. Die komen twee dagen later, met Stille Zaterdag, terug en strooien eieren in de palmstruiken. Na de mis is het een lopen van de kleuters! Als hazewindjes recht in de tuin paaseieren rapen. Moeder houdt ze bijeen in een grote kom en dit zijn de eieren waarvan de kinderen na het middageten mogen smullen. Deze eieren zijn ook altijd geverfd, meestal bruin, door een handvol uien in het kookwater te mengen. De belangstelling van de kinderen wordt nog groter wanneer de eieren van de naam van het kind zijn voorzien. Ieder houdt zich dan aan “de zijne”. Moeder speelt dit klaar door eenvoudig op de witte eieren te schrijven met een stekje, in smout gedopt (hierop pakt geen verf), en het wonder is volbracht.

In veel dorpen zoals in Koninksem kent men nog het “eierklippen”. Op Witte Donderdag en Goede Vrijdag gaan de misdienaars van deur tot deur met een houten klep. Door hun “klippen” roepen zij de baas of bazin op de drempel van de woning om hem of haar het uur van de Paasmissen aan te kondigen omdat de klokken het zwijgen is opgelegd. De dag nadien komen de misdienaars terug langs de huizen en als beloning krijgen ze nog witte eieren.

Paaseieren worden ook vaak door “grote mensen” rondgehaald. De pastoorsmeid neemt een korf in de hand en doet de ronde voor de “pastoorseieren”. Tegelijk met haar gaat ook de kostersvrouw en zelfs de postbode heeft in die periode een korfje aan zijn fiets hangen.

In Tongeren bestond het spelletje “tip en vot” of eieren-tikken waarbij het sterkste ei wint van het stuk getikte. In Tongeren werd dit spelletje bijvoorbeeld op de Botermarkt gespeeld. Een handige truuk om te weten of je kon winnen, was door de voelen of het ei goed gevuld was (en dus zou winnen). De spelers tekten zich zachtjes met de “tip” en de “vot” van het ei tegen de tanden. De holle kant bleef warm, de volle koud, dit voelden ze met de tong.’

Volgende week gaan we verder met Palmzondag en Paasmaandag.

Wanneer de avond viel

Recent werd ons gevraagd hoe het er bij valavond aan toe ging in Tongeren in de periode alvorens er elektrische verlichting was (die dateert van 1908).

We moeten om te beginnen een onderscheid maken tussen de periode toen er nog stadspoorten- en wallen waren en de periode nadien. Tot de achttiende eeuw was de regeling dat de poorten in de winter sloten om 22u en in de zomer om 23u. De wisseling gebeurde op 1 november en 1 mei. Nadien en voordien kon je ook nog binnen- of buiten geraken maar dan moest je rekenen met de gezindheid van de poortwachter én moest je extra tol betalen. Na het sluiten van de poorten moesten trouwens ook de vuren gedoofd worden en na valavond mocht je ook niet meer gewapend buiten komen.

In tijden van crisis (bijvoorbeeld wanneer er militaire inkwartieringen waren) was er ook een uitgaansverbod. In de winter mocht je dan na 20u niet meer op straat komen en in de zomer niet meer na 21u. De herbergiers mochten dan ook geen bier of wijn meer tappen. Om dit uitgaansverbod kenbaar te maken luidde de klok van de Sint-Janskerk een half uur op voorhand. In normale periodes mocht je ook na 20u of 21u niet meer zonder verlichting in de hand buiten komen.

Uitzonderingen waren er echter bij bepaalde feesten. Met Vastenavond mocht men zich niet vermommen én er mocht geen carnaval gevierd worden want het was een religieus feest. Daarentegen bij Sint-Niklaas mochten de bakkers langer door werken om broodjes aan de ramen te kunnen zetten.

Op al deze regels werd streng toezicht gehouden door de wachters die dag en nacht op de poorten aanwezig waren en vooral door de burgerpatrouilles die plaatsvonden. Er werd in het bijzonder gelet op nachtlawaai en ordeverstoring. Het te laat open houden van herbergen, na sluitingsuur dronken op straat rond lopen en ‘krakeel’ (lawaai en vechten) werden bestraft voor de schepenbank.

Vanaf de negentiende eeuw was er politie die toezicht hield op het respecteren van de gemeentereglementen maar de zaken werden vergemakkelijkt doordat er in de stad petroleumlampen werden geplaatst (1862). Die vervingen de smoutlampen en vetkaarsen die op sommige locaties in de stad stonden maar die, omwille van brandgevaar, niet veelvuldig gebruikt werden. De petroleumlampen werden iedere avond door een ‘stadszweter’ aangestoken (hij ging rond met een ladder) en tegen de ochtend waren de lampen vanzelf uitgegaan.

Ondanks de moeilijkheden om de stad te verlichten bij en na valavond gebeurde dit toch bij speciale gelegenheden. Zo werd in de achttiende eeuw de verkiezing van een nieuwe Luikse prinsbisschop gevierd met het plaatsen van 1.200 (!) vetpotjes aan het stadhuis.

Van Eyck – ook Tongeren doet mee

De afgelopen weken is Jan van Eyck niet uit het nieuws te slaan. Met de restauratie en terugplaatsing van Het Lam Gods werd de wereldpers gehaald. Deze persaandacht is er mede door de tentoonstelling die over enkele dagen van start gaat in het Gentse Museum voor Schone Kunsten en die loopt tot 30 april. Dit zal de grootste Jan van Eyck-tentoonstelling ooit zijn. Behalve unieke meesterwerken van de ‘meester van het detail’ worden er ook verschillende objecten uit dezelfde kunststroming tentoongesteld. En ook wij doen mee!

Het beeld van de heilige Agnes, een Vlaams topstuk uit de stedelijke collectie, staat opgesteld op deze tentoonstelling. Het beeld dateert van circa 1450 en werd in eikenhout vervaardigd door de zogenaamde ‘Meester van de Eyckiaanse vrouwenfiguren’. Zoals de naam van de beeldsnijder zegt, is hij een tot op heden anonieme kunstenaar die in stijl van de gebroeders van Eyck werkte.

Maar er is nog een band met Tongeren. Zo werkte Hubert van Eyck in 1409 voor het OLV-kapittel en wordt door sommige kunsthistorici aangenomen dat het in Berlijn hangende schilderij ‘Madonna in de kerk’ in Tongeren zou geschilderd zijn.

Vandaag werd door de VRT-redactie trouwens een podcast online geplaatst over de discussie die gaat over de geboorteplaats van de broers van Eyck (Maaseik, Bergijk in Nederland of Arendonk in de Kempen).

IMGP4022