Het vaandel van de harmonie van Vreren

Vandaag schonk de familie Wathiong aan het stadsarchief het vaandel van de harmonie Sint-Medardus van Vreren. Het vaandel, dat laatst gedragen werd door Maurice Wathiong (zijn kepie zie je links op de foto), verwijst naar de oprichting van de harmonie: 1848. Het vaandel zelf is waarschijnlijk van jongere datum (na WO I?).

In het fotoboek, dat in 2004 over Vreren werd uitgebracht, staan ook enkele groepen muzikanten met een vlag afgebeeld, maar dat is die van de fanfare die van iets latere datum is (opgericht rond 1880). De fanfare was wel deel van de harmonie (de muziekmaatschappij Sint-Medardus), net zoals ook de toneelkring die werd opgericht in 1913.

Naar vader zal men luisteren

We zijn in de winter van 1778-1779. De zestienjarige Maria Clerinx is al een tijdje verliefd op een zekere Willem Dessers die niet uit Tongeren afkomstig was. Haar vader, brouwer Gilis Clerinx die De Wildeman in de Maastrichterstraat uitbaat, verbiedt echter dat de twee een relatie hebben. Willem Dessers blijft echter niet bij de pakken zitten en ‘ontvoerd’ Maria.

’s Nachts vluchten de twee over de stadsmuren richting Vlijtingen en van daaruit verder naar Maastricht. In beide plaatsen had de Tongerse schout niets te zeggen. Gilis Clerinx schakelde echter vrienden in om zijn dochter terug te halen. Het koppeltje vluchtte daarom naar Luik en terug naar Tongeren. Daar werden ze op 5 januari 1779 bij de kraag gevat. Maria werd ondergebracht in het Bonnefantenklooster en werd verboden om te trouwen met Willem Dessers. Maria verklaarde vervolgens dat zij geen beloftes meer zou doen aan Willem Dessers en beloofde haar ouders in het vervolg te zullen gehoorzamen. Blijkbaar deed ze dit ook, want op 6 november 1781 huwde ze met Peter Ivens. Deze was duidelijk een veel betere partij want zijn ouders hadden ook een brouwerij in de Maastrichterstraat.

In de periode 1782-1789 kregen ze vier kinderen. Het geluk moet echter van korte duur geweest zijn, want in 1798 was Maria al overleden. De exacte datum hebben we niet kunnen achterhalen. Het lijkt er wel op dat Peter Ivens de brouwerij van zijn schoonvader had overgenomen. Peter Ivens overleed in 1811.

De ramp van 1677 – nieuwe inzichten

Enkele dagen geleden hebben we het einde van de Tweede Wereldoorlog herdacht. De grote herdenkingscampagne van de Eerste Wereldoorlog is ook nog maar net achter de rug. Maar, waarschijnlijk de grootste ramp uit de Tongerse geschiedenis speelde zich af in de nacht van 28 op 29 augustus 1677. Tongeren werd die nacht in brand gestoken, een gebeuren dat kaderde in de zogenaamd Frans-Hollandse Oorlog. Die oorlog begon voor onze stad exact 350 jaren geleden. Op 12 mei 1672 kwamen namelijk de eerste Franse troepen aan in Tongeren.

Laten we eerst even verder teruggaan in de tijd want Tongeren is wel vaker verwoest geworden. De eerst vastgestelde stadsbrand vond plaats rond 69-70 na Christus tijdens de zogenaamde Bataafse Opstand. Tijdens de Romeinse tijd vond er ook nog een grote brand plaats tijdens de twee helft van de tweede eeuw – tijdens de invasie van de Chatti en Chauki – en rond 275-276 toen de Franken het Romeinse rijk binnenvielen. Latere verwoestingen vonden plaats in 881-882 (Noormannen), op 1 augustus 1179 (door graaf Gerard van Loon), op 11 oktober 1213 (door hertog Hendrik I van Brabant) en in 1468 door de Bourgondische troepen.

De impact van de vernielingen tijdens de Frans-Hollandse Oorlog lijken echter het grootst geweest te zijn. Enerzijds komt dit natuurlijk omdat er ook meer geschreven bronnen over deze periode zijn, maar anderzijds blijkt wel dat de heropbouw vele decennia duurde en de stad pas haar oude inwonersaantal zou bereiken halfweg de negentiende eeuw.

Ik ga hier niet het hele conflict tussen het Frankrijk van Lodewijk XIV en de Verenigde Provinciën (de Republiek) uit de doeken doen. Het doel van Lodewijk XIV was om Frankrijk natuurlijke grenzen te geven (Maas en Rijn). Knooppunt om dit doel te bereiken was Maastricht, gelegen langs enkele belangrijke wegen en uiteraard langs de Maas langs welke vallei de Fransen zich ook verplaatsten. De bezetting van Tongeren vanaf 12 mei 1672 had dan ook als doen een aanval op Maastricht voor te bereiden. Die stad werd ingenomen op 26 juli 1673 waardoor ook het militaire nut van Tongeren verdween en de wallen en poorten moesten afgebroken worden. Het risico bestond namelijk dat de geallieerde legers Tongeren zouden veroveren en bijgevolg de Fransen in Maastricht zouden omsingelen. De Fransen trokken bovendien door het prinsbisdom Luik omdat dit hen vrijgeleide had gegeven. De Luikse prinsbisschop, Maximiliaan Hendrik van Beieren, was namelijk ook aartsbisschop en keurvorst van Keules. In die functie had hij zich aan de Franse zijde geschaard.

In de beginfase van de oorlog (1672-1674) verliep de strijd behoorlijk moeilijk voor de Fransen, ondanks dat 1672 gekend staat als het Rampjaar in Nederland, en de Verenigde Provinciën wisten verschillende successen te behalen. Hierdoor besliste Keulen in 1674 ook om een vrede te sluiten met de Fransen.

En nu komen enkele nieuwe inzichten die werden aangereikt door collega Peter Schulpen uit Sittard, een stad die eveneens in dezelfde periode als Tongeren werd verwoest. Nadat Keulen een vrede had gesloten, werd op de rijksdag van Regensburg (25 mei 1674) beslist dat de Duitse vorsten zich achter keizer Leopold zouden scharen. Die keizer van het Heilig Roomse Rijk (Duitsland) had een alliantie gesloten met Spanje, het hertogdom Lotharingen en de Verenigde Provinciën. Bij die vorsten hoorden behalve Keulen ook het nabijgelegen bisdom Munster en het hertogdom Gullik (waartoe Sittard behoorde). Peter Schulpen wees er terecht op dat Gullik hierdoor niet meer neutraal was en Luik samen met Keulen van partij was veranderd. De gevolgen van die ‘kantwissel’ waren verstrekkend toen de hertog van Lotharingen het Franse Mouzon aan de Maas verwoestte. Lodewijk XIV eiste represailles. Die represailles zouden volgen in Sittard en Tongeren…

In Tongeren wordt traditioneel aangenomen dat de stad in brand werd gestoken omdat de afbraak van de muren niet snel genoeg vorderde. De Franse gouverneur Calvo in Maastricht drong hier meermaals op aan en besliste, toen de maat vol was, de stad in brand te steken. In september en oktober 1677 kwamen de Fransen nog enkele keren terug, blijkbaar om het werk af te maken. De stadsbrand die volgde, leidde tot ontzetting in geheel Europa. Dat zelfs de Tongerse Onze-Lieve-Vrouwekerk was afgebrand, droeg niet de goedkeuring van Lodewijk XIV.

Maar… in het kader van het onderzoek naar de vernieling van Sittard in dezelfde periode kwam collega Peter Schulpen enkele bijzondere documenten tegen. Een brief van 6 september 1677 bewijst namelijk dat Lodewijk XIV zelf de opdracht had gegeven tot de verwoesting van Sittard en Tongeren. Een gecodeerde brief van 12 september van dat jaar, geschreven door Calvo aan de Franse minister van oorlog, gaat zelfs verder. Hierin wordt het moedwillig afbranden van beide steden besproken alsook het bewust terugkeren naar die steden om het werk af te maken.

Die moedwilligheid van de Fransen geeft toch wel een ander beeld van de vernielingen die in 1677 plaatsvonden. Een project met het Rijksarchief van Hasselt en het archief De Domeinen van Sittard-Geleen heeft trouwens de ambitie om soortgelijke archieven in het Franse militaire archief van Vincennes te gaan digitaliseren. In Venlo opent bovendien volgend jaar een grote tentoonstelling over deze noodlottige periode.

Om af te sluiten, geef ik nog enkele cijfers. Tongeren telde in 1667 835 woningen en de dorpen in de stadsvrijheid in totaal 452 woningen. Daarvan waren er respectievelijk 611 en (circa) 300 vernield omwille van de oorlog. Het woningenbestand in Tongeren herstelde maar langzaam. In 1680 waren er nog maar 230 woningen, in 1693 375, in 1696 497, in 1747 655, en in 1841 nog maar steeds 754. Ook in de dorpen was een traag herstel te zien met in 1747 343 woningen en in 1841 656. Behalve het menselijke leed en de materiële vernielingen, waren de gevolgen nog verderstrekkend.

De periode 1650-1700 en vooral de gevolgen van de Frans-Hollandse Oorlog betekenden het einde van het middeleeuwse Tongeren. Sommige kloosters vertrokken en kwamen na 1677 niet meer terug. Maar vooral veel burgers verlieten de stad om nooit meer terug te keren. Zij werden na verloop van tijd vervangen door mensen uit de omliggende dorpen die in de stad kwamen wonen. Veel families gingen failliet en konden hun hypotheken niet meer betalen. Ook zij werden gedwongen de stad te verlaten. De markthallen werden na 1677 niet meer herbouwd en voor veel gebouwen van de stad (het stadhuis, de stadsmuren, enz.) moesten we wachten tot na de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog om een meer welvarende tijd te zien in de jaren 1720-1730.
De prins-bisschoppen zagen opportuniteiten en keerden zich tot de financieel en materieeel uitgemolken steden en maakte van de gelegenheid gebruik om hen te “belonen” met hervormingen en nieuwe verordeningen. Die hervormingen zouden mede de aanzet geven tot de Luikse Revolutie, een uitloper van de Franse Revolutie.

Het scheepvaartkanaal van Tongeren

Om meteen duidelijkheid te scheppen: Tongeren heeft nooit een scheepvaartkanaal gehad. Maar, het had anders kunnen lopen…

Dit jaar wordt gevierd dat tweehonderd jaren geleden gestart werd met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart. Dit is het tweede meest gekende kanaal van Limburg, na het Albertkanaal, en verbindt Maastricht met Den Bosch. Het loopt een heel stuk evenwijdig met de Maas. Het had dan ook de bedoeling de scheepvaart die daarlangs passeerde veiliger en betrouwbaarder te maken. Bij hoge waterstand was het immers vaak te onveilig om te varen. Bij laag water kon er uiteraard niet gevaren worden.

De Zuid-Willemsvaart, genoemd naar koning Willem I van de Nederlanden, is een echt verbindingskanaal. Voor het Albertkanaal ligt dit iets anders doordat ernaast veel economische activiteit ontwikkelde. Opmerkelijk is dat het kanaal er enkel kon komen doordat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in die periode één land waren. Voordien waren er immers al verschillende plannen misgelopen door geopolitieke beperkingen.

Eén zo een plan was de aanleg van een kanaal van Tongeren naar Den Bosch, medio de achttiende eeuw. De plannen voor aanleg van dit kanaal bleven circuleren tot het begin van de negentiende eeuw. Het kanaal zou grotendeels door Luiks gebied lopen (het prinsbisdom Luik) en gevoed worden door de bronnen van de Demer in Ketsingen, ‘s-Herenelderen en Membruggen.

De Franse Revolutie gooide echter roet in het eten en het plan bleef een plan…

Het stadsarchief bewaart zo een plan dat ter bespreking werd voorgelegd aan de stadsmagistraat (zie onderstaand). Het bijhorende dossier werd eveneens bewaard. Maar ook in het Nationaal Archief in Den Haag worden soortgelijke voorstellen, opmetingsplannen en dossiers bewaard.

Een verse blik op de stadsmuurfunderingen van Tongeren

Deze week is de eerste stap gezet in de restauratie van de stadsmuren van Tongeren. Als enige Romeinse stad van België beschikken wij over een bovengronds bewaarde Romeinse stadsmuur. Als voormalige Luikse stad kunnen wij ook nog pronken met imposante resten van de middeleeuwse stadswallen. Deze stadsversterkingen genieten sinds respectievelijk 1962 en 1992 een bescherming als monument.

Hoewel het stadsbestuur de afgelopen jaren investeerde in het regelmatig onderhoud van de bovengronds bewaarde muurresten, dringt een omvattende restauratie ervan zich stilaan op. Hiertoe  liet het stadsbestuur een beheersplan opmaken, dat in 2018 door het agentschap Onroerend Erfgoed werd goedgekeurd.

De eerste fase van een globale conservatieaanpak van de stadsmuren is een voorafgaandelijk onderzoek naar de stabiliteit ervan. Hiertoe worden tegen de muurfunderingen aan de Cesarlaan, Elfde Novemberwal en Leopoldwal in totaal zeven putten gegraven. Omdat de stadsmuren een beschermd monument zijn, worden de putten door archeologen aangelegd. Zij zorgen ook voor een gedetailleerde registratie van de funderingen en grondprofielen. Alle funderingen worden geïnspecteerd door het ingenieursbureau Triconsult nv., dat een advies inzake stabiliteit zal formuleren.

Dit is niet de eerste keer dat er onderzoek gebeurt naar de fundering van de Romeinse of middeleeuwse stadsmuren. Al in de eerste helft van de jaren 1930 lieten Jacques Breuer (KMKG) en Hubert Van de  Weerd (universiteit Gent) sleuven graven dwars op de Romeinse stadsmuren, om zowel de funderingen als de grachten te bestuderen. Dit graafwerk gebeurde naar goede gewoonte volledig met de hand. De foto’s hieronder tonen dit onderzoek aan een toren aan de Cesarlaan en aan de Kremertoren aan de Leopoldwal.

Een conflict tussen de oude en nieuwe tijd, een geschil over een katoendrukkerij in Tongeren (1774-1776)

De twee vorige blogposten handelden terzijde over de rol die de ambachten speelden in de geschiedenis van Tongeren. Tot 1796 moest je, als je iets wilde betekenen in de stad, lid zijn van een ambacht. In ruil bewaakten de ambachten je rechten – ook tegenover andere ambachtslieden binnen en buiten de stad – zorgden ze voor je familie als je iets overkwam, enzovoort. De ambachten hadden een beetje de rol van hetgeen een vakbond en ziekenfonds nu doen.

Maar in de blogpost over de ambachtskamer van de bakkers liet ik ook al uitschijnen dat de rol van de ambachten uitgespeeld geraakte in de loop van de achttiende eeuw. Dat had mede te maken met de prins-bisschoppen die de wetgeving naar zich toe hadden getrokken doordat ze opportuniteiten zagen in het faillisement van de steden eind zeventiende eeuw (de steden en de burgers die hun rechten terugeisten, vormden de aanzet vormde tot de Luikse revolutie in augustus 1789 en het omarmen van de Franse revolutie. Maar nu slaan we enkele stappen over…).

Laten we terugkeren naar de ambachten in de achttiende eeuw. Hun rol geraakte uitgespeeld maar niettemin bepaalden ze nog steeds het economische leven in de stad. Als iemand een beroep wilde uitoefenen, moest die nog steeds lid worden van een ambacht of mocht dit beroep in geen enkel geval kwaad berokkenen aan werklui die wel lid waren van een ambacht. Het Land van Luik, op het continent één van de voorlopers in de Industriële Revolutie, trok bijgevolg meer van dit soort mensen aan die niet ‘pasten’ in een ambacht. In Tongeren zien we hen ook opduiken in de tweede helft van de achttiende eeuw en zowel de stadsmagistraat als de ambachten moesten toestemming geven voor hun vestiging. Een voorbeeld was de inrichting van een zeepziederij, maar ook de oprichting van een katoendrukkerij.

Over die laatste gaan we het nu even hebben. Op 27 september 1774 kreeg de stad de vraag vanwege Quirinus Vlecken en meneer Casenave om in Tongeren een katoendrukkerij te mogen oprichten. Lokaal ‘geassocieerde’ was Gilis Christiaens die het slachtoffer zou worden van enkele opportunistische proto-industriëlen. Deze heren en hun ‘geassocieerde’ waren namelijk in conflict gekomen met de graaf van Arberg die op het kasteel van Helmond in Nederland een katoendrukkerij uitbaatte. De klacht werd ingediend door Jan Baptist Jadoulle, oud-burgemeester van Tongeren, in naam van de graaf van Arberg. Jadoulle en zijn echtgenote stelden dat het Gilis Christiaens verboden was om katoen te bedrukken in Tongeren. Christiaens verklaarde echter dat niet te weten en meer nog, aangespoord geweest te zijn door de vrouw van Jadoulle om katoen te bedrukken zodat een levering vanuit het kasteel van Helmond niet zou mislopen.

Deze associatie of sociëteit wordt ons gelukkig een beetje beter uit de doeken gedaan in een notariële akte uit 1776. Quirinus Vlecken was hoofdzaakgelastigde en drukker in Tongeren met als lokaal verantwoordelijke Gilis Christiaens. Vlecken had afspraken met katoenwever Diedens uit Helmond die daar kleren maakte waarna ze gebleekt en bedrukt werden te Tongeren. Maar Diedens leverde eveneens aan Jan Baptist Jadoulle. Die bedrukte katoen in Helmond als rentmeester van de graaf van Arberg en liet het teken JBJ op zijn stoffen zetten.

De klacht had echter ook nog een minder proper zakelijk randje, namelijk een mislukte deal om een katoendrukkerij op te richten te Luik door de broers de Saren (eigenaars van het Munthuis in Tongeren), kanunnik Prick uit Luik, meneer Diedens (die dus ook al afspraken had met Jadoulle) en dezelfde meneer Casenave die ook in Tongeren bij de oprichters behoorde.

Het project in Luik ging uiteindelijk niet door en Gilis Christiaens moest de fabriek in Tongeren stopzetten. Maar in Helmond floreerde de textielindustrie. De bewuste familie Diedens of Diddens richtte begin negentiende eeuw een bekende weverij en ververij op (het bedrijf bestaat nog steeds in een fusie met de textielfabriek Raymakers). Het kasteel van Helmond werd in 1781 door de graaf van Arberg verkocht omdat het vervallen was, maar vooral omdat de schuldenberg te hoog was geworden. Nieuwe eigenaar werd Carel Frederic Wesselman die, niet toevallig, een bekende textielfabriek oprichtte naast de kasteelsite.

Marionettenspel anno 1786 in ‘huis Timmermans’

In augustus 1786 vond in Tongeren een kleine ruzie plaats tussen het bakkersambacht en Godfried Loix asl eigenaar van het pand op de Grote Markt waar de krantenwinkel van de familie Timmermans was (hoek met de Hondsstraat).

Dat huis werd gebouwd rond 1786 nadat Godfried Loix de beide panden die er voordien stonden, had kunnen verwerven. Het hoekhuis, toen geheten De Moriaan, had hij verworven van de familie Regissar in 1774 en het zuidelijk gedeelte, geheten De Gulden Voet, in 1756 van de familie Hamelarts. Bijzonder was echter dat het bakkersambacht eigenaar was van de zolder van De Moriaan. Het merendeel van de twaalf ambachten had zo een zolderruimte als ambachtskamer (voornamelijk om te vergaderen). Maar doordat de ambachten in de achttiende eeuw veel van hun glorie hadden verloren, verhuurden of verkochten een aantal van hen hun ruimtes. Zo gebeurde dus ook met de zolder van De Gulden Voet.

In de zomer van 1786 lieten ambachtsmeester Theodoor (Dirk) Cleintjens en Jan Bellefroid echter toe dat een vreemdeling hier marionettenspellen mocht spelen. Godfried Loix weigerde de toegang aan deze vreemdeling. Het bakkersambacht was het hier uiteraard niet mee eens en liet deze weigering ook meteen notarieel vastleggen.

Het ‘conflict’ ontspoorde echter niet verder en beide partijen kwamen tot een toch wel zeer propere oplossing. Op 17 oktober 1786 verhuurden dezelfde ambachtsmeesters hun ambachtskamer voor zes jaar aan Godfried Loix en diens schoonzoon Maternus L’Abhaye. Hierbij hoorde de grote ambachtskamer en twee kleine kamers maar ook een kelder waarop het ambacht rechten had. In de akte werd bovendien gesteld dat de toegang tot de ambachtskamer aan de zijkant lag, namelijk in de Hondsstraat. Het bakkersambacht vroeg vervolgens ook toestemming aan Godfried Loix of ze in de kamer marionettenspelen mochten houden.

Eind goed, al goed…

Een veertiende ambacht?

In Tongeren waren er twaalf ambacht: bakkers, beenhouwers, bontwerkers, brouwers, kleersnijders, kremers, lakenmakers, leerlooiers, linnenwevers, schoenmakers, smeden en volders. De belangrijkste waren de brouwers, beenhouwers en bakkers omdat die instonden voor levensmiddelen. De ambachten waarin geld te verdienen was, waren de kremers (handelaars) en leerlooiers die huiden exporteerden.

Wilde je in Tongeren een beroep uitoefenen, moest je lid zijn van één van die ambachten. Lid kon je worden doordat een familielid al lid was of je moest je inkopen. Hierdoor geraakten families gedurende vele eeuwen verbonden aan één ambacht of beroep zoals de familie Vaes die generaties lang lid waren van de beenhouwers.

Begin achttiende eeuw werden de ambachten onderverdeeld in zes kamers. Met de komst van de Fransen in 1795 werden de ambachten afgeschaft, maar moesten mensen hun beroep wel nog registreren etc. Hiervan zijn ook heel interessante lijsten bewaard – het archief van de ambachten, goed bewaard vanaf de zeventiende eeuw, is bovendien heel interessant omdat dit het dagelijkse leven behandelt – maar dat is een heel ander verhaal. Vier van de ambachten bestonden op het einde van de achttiende eeuw trouwens nog enkel in naam. Met de industrialisering waren bovendien ook nieuwe beroepen ontstaan die van de stad een apart statuut kregen.

Om terug te komen op ons veertiende ambacht. Was er dan ook een dertiende? Ja, en waarschijnlijk waren er ook meer dan veertien ambachten. Hiervoor moeten we eerst terugkeren naar de jaren 1460, de Bourgondische tijd. Dit was een bloeiperiode onder de hertogen Filips de Goede en Karel de Stoute, tenminsten voor Brabant en Vlaanderen. In de jaren 1460 werd het prinsbisdom Luik, en dus ook de Luikse en Loonse steden, meegezorgen in de uitbreidingsdrang van de Bourgondische hertogen. Dit resulteerde in de Luikse Oorlogen in de periode 1465-1468.

Aanleiding was een lokale opstand die de Luikse prinsbisschop liet neerslaan met hulp van Bourgondische troepen. Het prinsbisdom werd bezet en de steden werden gestript van hun rechten. Burgers werden weggevoerd, de oorkonden en het perron werden meegenomen naar Brugge, er kwamen zware belastingen en opeisingen. In feite was het conflict met Bourgondië al veel langer bezig, denk maar aan de Slag bij Othée in 1408, maar ook minder gekende gebeurtenissen zoals een bijna-staatsgreep onder leiding van de heer van Heers en de Vrede van Sint-Truiden in 1466.

Om niet te ver af te wijken van het verhaal kan besloten worden dat deze periode dramatisch was voor heel wat steden en bijgevolg ook hun inwoners. Tal van mensen vluchtten weg, waaronder tal van edelen én handelaars, met als gevolg de quasi doodsteek van de winstgevende lakenhandel. De stad was bankroet… Noodgedwongen moest er bestuurlijk geherstructureerd worden. Er werden zware leningen afgesloten, maar ook de administratie werd op orde gesteld (heel wat archieven waren bovendien verloren gegaan). Dit is ook de reden waardoor het merendeel van de stedelijke archieven pas beginnen vanaf 1468. Op dat moment werden ook de ambachten hervormd, resulterend in de vorming van de twaalf gekende ambachten.

Voordien waren er echter ook ambachten en dat waren er meer dan die twaalf. Veel is hierover niet gekend, net omdat een aanzienlijk deel van de stedelijke en ambachtsarchieven verloren ging. Enkele jaren geleden werd bijvoorbeeld nog een zegel ontdekt van het ambacht van de bakkers en molenaars dat in 1468 werd samengevoegd tot het bakkersambacht. Recent, en per toeval, werd nog een andere vermelding gevonden. Namelijk een verwijzing naar het ambacht van de rentmeesters in een midden-vijftiende-eeuws register van de abdij van Hocht (betreffende goederen in Tongeren). Die rentmeesters traden lokaal op namens instellingen zoals abdijen, kerken en kloosters maar ook namens adellijke families.

Zo moeten er waarschijnlijk nog ambachten geweest zijn, vaak bestaande uit enkele personen, die echter wel een beroepsgroep verenigden. In Luik waren bijvoorbeeld 32 ambachten gekend waaronder de metsers en timmerlui, maar ook de zakkendragers, wijnhandelaars en mijnwerkers.

Relicten en inslagen uit de Tweede Wereldoorlog

Graag willen we jullie in deze blogpost kennis laten maken met enkele interessante online projecten en websites over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

Een heel mooi participatief Limburgs project is “Onder de radar”. Op dit online platform wordt informatie verzameld over de relicten van de Tweede Wereldoorlog die in Limburg te vinden zijn. Sommige zijn vandaag nog steeds erg zichtbaar aanwezig, anderen zitten verborgen onder de grond of bestaan helemaal niet meer. Al deze relicten worden verzameld op een handige kaart, waardoor je makkelijk in je eigen regio kan zoeken. Een mooie toevoeging zijn de oude Duitse en Amerikaanse luchtfoto’s, waardoor je kan zien hoe jouw regio er in 1944 vanuit de lucht uitzag.
https://www.onderderadar.be/

Een belangrijk aspect van de Tweede Wereldoorlog waren ongetwijfeld de V-wapens die vanuit Duitse steden richting België werden afgevuurd, als vergelding voor de geallieerde bombardementen op Duitse steden. Vandaar komt ook hun naam Vergeltungswaffen of V-wapens, meer specifiek gaat het over de V1-bommen en V2-raketten. Zowel de website “Vergeltungswaffen.be” als de site van historicus en auteur Pieter Serrien geeft een duidelijk overzicht van de inslagen van deze V-wapens in België. Pieter Serrien heeft alle inslagen die dodelijke slachtoffers maakten samengebracht in een overzichtelijke tabel en aangeduid op een kaart. “Vergeltungswaffen.be” geeft een overzicht van alle inslagen met V-wapens in België, aan de hand van een interactieve kaart. Deze website focust bovendien niet enkel op de cijfers, maar wil ook de verhalen achter deze inslagen meegeven. Beiden zijn erg mooie projecten, zeker het bezoeken waard voor wie wil weten waar er in zijn buurt V-wapens zijn neergekomen.
https://www.vergeltungswaffen.be/
https://pieterserrien.be/boeken/elke-dag-angst/overzicht-v-inslagen-op-belgie/ Tot slot vermelden we hier nog de website over de luchtvaartgeschiedenis in België. Aan de hand van een database wil men zoveel mogelijk informatie over de Belgische luchtvaartgeschiedenis samen brengen. Wat WOII betreft kan je op deze website onder meer een uitgebreide lijst terugvinden van vliegtuigen die in de periode 1939-1945 actief waren in België.
https://www.luchtvaartgeschiedenis.be/tweede-wereldoorlog-kroniek

Met dank aan Ruth Goddefroy voor de bijdrage.

Euphrasie Van Swijgenhoven

Vorige week ontving het stadsarchief informatie over een zekere Euphrasie Van Swijgenhoven, die zich in het begin van de twintigste eeuw toelegde op de schilderkunst en wiens werk interessant zou kunnen zijn voor ons.  De naam deed bij ons alvast geen belletje rinkelen, maar haar link met Tongeren werd al gauw duidelijk.

Euphrasie Van Swijgenhoven werd geboren in Peer op 4 maart 1861 als de oudste dochter van Thomas Hubert Van Swijgenhoven en Joanna Virginia Vissers.  Zij was de zus van Jan Van Swijgenhoven, bierbrouwer van Hulst-Tessenderlo en van de Deken van Beringen, Karel Van Swijgenhoven.

Ze had een moeilijke jeugd omwille van haar zwakke gezondheid.  Uit de prentkaartenverzameling uit haar bezit kunnen we uitmaken dat ze een grote belangstelling had  voor de Vlaamse en Italiaanse kunst uit de 14de tot de 16de eeuw en daaruit ook haar inspiratie haalde.  Euphrasie begon te schilderen, vooral de renaissance in de Italiaanse kunst had haar belangstelling.  Een 50 – tal werken zijn in het bezit van  de familie.  

Haar eerste werken waren louter academisch en amateuristisch.  Steken haar portretten niet boven het gemiddelde uit, haar bloemstukken horen bij de beste werken. De onderwerpen van  huisgenoten, familie en  tijdsgebonden gebeurtenissen zijn thema’s die na 100 jaar wel interessant zijn. Onder andere enkele werken uit de Eerste Wereldoorlog zijn een interessant gegeven; nieuws van het front, kardinaal Mercier, Albert I aan het Ijzerfront, e.a.     

Maar haar geliefkoosd onderwerp was Maria en het Jezuskind.  Eén van deze werken is uitzonderlijk: “Oorzaak onzer blijdschap”. Het werk is 1m op 1m20 groot en stelt de Madonna en het Jezuskind voor, omgeven door musicerende engelen. Volgens de overlevering maakte ze dit werk om aan de OLV-Basiliek in Tongeren te schenken maar werd dit verhinderd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Euphrasie Van Swijgenhoven stierf tijdens de Tweede Wereldoorlog.  Ze was 84 jaar oud en verbleef  in het klooster van  Hasselt. De Amerikanen, die een einde wilden maken aan de Duitse bezetting,  bombardeerden Hasselt, maar de bommen misten hun doel en sloegen in op het klooster. 

Euphrasie werd gevonden in het puin van het klooster en naar het ziekenhuis gebracht, waar ze enkele dagen later overleed aan haar opgelopen verwondingen. Tussen het puin vonden de erfgenamen het schilderij : “Oorzaak onzer blijdschap”.

Met dank aan Karel Soors voor de informatie en Veerle Vandoren voor de bijdrage.